Poet: Rian
Ik adem zijn afwezigheid,
alsof leegte zuurstof werd.
Zijn keuze sneed door mijn huid,
maar ik bleef
half levend, half verhard.
Jij, met haar nog op je lippen,
noemt mijn wantrouwen een zonde. Maar ik zag het
in je blik, in de stilte tussen je woorden.
De spiegel spuugt mijn gezicht terug,
een kind dat niet mocht blijven.
Ik haat de echo in mijn borst,
het deel van hem dat weigert te sterven.
Ik ben de rest,
de schaduw van wat niet koos.
Een overlever met bloed vol vragen en handen vol woede.
En jij,
een leugen in een warme jas,
liet me twijfelen aan mijn kompas.
Ik ben de rot die jij plantte,
de haat die ik zelf bewater.

Leave a comment